

Er opende zich voor mijn geestesoog een visioen waarin ik de plaats kon zien waar de platen bewaard lagen.


Op 21 september 1823 bad Joseph voor het slapen gaan om te weten te komen hoe God over hem dacht. Toen verscheen er een engel aan hem. Joseph vertelt:
'Terwijl ik aldus doende was God aan te roepen, bemerkte ik een licht dat in mijn kamer verscheen en steeds helderder werd, totdat de kamer lichter was dan op het middaguur, waarna er onmiddellijk een persoon naast mijn bed verscheen, staande in de lucht, want zijn voeten raakten de vloer niet.
'(...) De kamer was buitengewoon licht, maar niet zo intens helder als onmiddellijk om zijn gestalte heen. Toen ik voor het eerst naar hem keek, was ik bevreesd, maar weldra verliet de vrees mij.
'Hij noemde mij bij de naam en zei tot mij dat hij een boodschapper was, uit Gods tegenwoordigheid tot mij gezonden, en dat zijn naam Moroni was; dat God een werk voor mij te doen had en dat mijn naam onder alle natiën, geslachten en talen zowel ten goede als ten kwade bekend zou zijn, ofwel dat er onder alle volken zowel goed als kwaad over zou worden gesproken.
'Hij zei dat er een boek was verborgen, op gouden platen geschreven, dat een verslag gaf van de vroegere bewoners van dit werelddeel en van hun herkomst. Hij zei ook dat het de volheid van het eeuwigdurend evangelie bevatte, zoals die door de Heiland aan de vroegere bewoners was gebracht.
'Tevens dat er twee in zilveren bogen gevatte stenen waren - en dat die stenen, aan een borstplaat bevestigd, de zogenaamde Urim en Tummim vormden - die samen met de platen waren verborgen; en dat het bezit en gebruik van die stenen bepalend was voor "zieners" in oude of vroegere tijden; en dat God ze had toebereid met het doel het boek te vertalen.
'Toen hij mij die dingen verteld had, begon hij de profetieën uit het Oude Testament te citeren. Eerst citeerde hij een gedeelte uit het derde hoofdstuk van Maleachi; en hij citeerde ook het vierde of laatste hoofdstuk van dezelfde profetie, echter met een kleine afwijking van de manier waarop het in onze Bijbel staat. In plaats van het eerste vers te citeren zoals het in ons boek staat, haalde hij het als volgt aan:
'"Want zie, de dag komt die zal branden als een oven, en alle hoogmoedigen, ja, en allen die goddeloosheid bedrijven, zullen als stoppels verbranden; want zij die komen, zullen hen verbranden, zegt de Heer der heerscharen, zodat het hun wortel noch tak zal overlaten."
'En voorts citeerde hij het vijfde vers als volgt: "Zie, Ik zal u het priesterschap openbaren, door de hand van de profeet Elia, voor de komst van de grote en geduchte dag des Heren."
'Hij citeerde ook het volgende vers anders: "En hij zal de aan de vaderen gedane beloften in het hart der kinderen planten, en het hart der kinderen zal zich tot hun vaderen wenden. Als dat niet zo was, zou de gehele aarde bij zijn komst volslagen worden verwoest."
'Bovendien citeerde hij het elfde hoofdstuk van Jesaja, zeggende dat het op het punt stond in vervulling te gaan. Hij citeerde ook het derde hoofdstuk van Handelingen, het tweeëntwintigste en drieëntwintigste vers, precies zoals die in ons Nieuwe Testament staan. Hij zei dat die profeet Christus was, maar dat de dag nog niet gekomen was "waarop zij die niet naar zijn stem wilden luisteren, uit het volk verstoten zouden worden", maar spoedig zou komen.
'Hij citeerde ook het tweede hoofdstuk van Joël, van het achtentwintigste vers tot het laatste. Hij zei ook dat dit nog niet was vervuld, maar spoedig zou worden vervuld. En hij verklaarde verder dat de volheid der andere volken weldra zou ingaan. Hij citeerde vele andere schriftuurplaatsen en gaf vele uitleggingen die hier niet vermeld kunnen worden.
'Voorts zei hij mij dat ik, wanneer ik die platen waarover hij had gesproken, zou verkrijgen - want de tijd om ze te verkrijgen was nog niet vervuld - ze aan niemand mocht tonen; evenmin de borstplaat met de Urim en Tummim, behalve aan hen wie ik zou worden geboden ze te tonen; indien ik het toch deed, zou ik vernietigd worden. Terwijl hij met mij sprak over de platen, werd het visioen aan mijn geest geopend, zodat ik de plek kon zien waar de platen waren verborgen, en wel zo helder en duidelijk dat ik de plek herkende toen ik die bezocht.
'Na deze mededeling zag ik dat het licht in de kamer zich onmiddellijk rondom de gestalte van de persoon die tot mij had gesproken, begon samen te trekken, en dat duurde voort totdat de kamer weer donker bleef, behalve vlak om hem heen; en op dat moment zag ik hoe er zich als het ware een doorgang opende rechtstreeks naar de hemel, en hij steeg op totdat hij geheel verdwenen was en de kamer achterbleef zoals zij was geweest voordat dit hemelse licht was verschenen.'
De hemelse boodschapper kwam diezelfde nacht meerdere malen terug om zijn lange boodschap te herhalen, waardoor de jonge Joseph zich de inhoud goed kon inprenten. De volgende ochtend ging hij, na overleg met zijn vader, 'naar de plek waar de platen volgens de boodschapper waren verborgen; en dankzij de duidelijkheid van het visioen dat ik daarover had ontvangen, herkende ik de plek zodra ik die bereikte.'
Meer over "Joseph Smith"