Focus op... - vrijdag 31 oktober 2008 |
God heeft ons als man en vrouw geschapen. Wat wij geslacht noemen, was al voor onze geboorte een essentieel kenmerk van ons bestaan.
Elke heilige der laatste dagen weet dat God alle seksuele contacten buiten het huwelijk heeft verboden. De meesten van ons kennen ook de lering van de Heiland dat het een zonde is voor een man om een vrouw aan te zien om haar te begeren (zie Matteüs 5:28; Leer en Verbonden 42:23; 63:16).
De aantrekkingskracht tussen man en vrouw is door onze Schepper ingeplant om ervoor te zorgen dat het leven op aarde in stand blijft en dat echtgenoot en echtgenote tot elkaar komen in de gezinsband die Hij voor de verwezenlijking van zijn oogmerken heeft voorgeschreven; dat omvat ook het grootbrengen van kinderen. Aan de andere kant is afwijken van Gods geboden bij het gebruik van ons vermogen tot voortplanting een ernstige zonde. President Joseph F Smith heeft gezegd:
`De vereniging van de geslachten binnen het huwelijk is wettig, en als dat met de juiste bedoeling gedaan wordt, is deze eerbaar en heiligend. Maar buiten het huwelijk zijn seksuele contacten een verwerpelijke zonde, afschuwelijk in de ogen van de Godheid.'1
Sommige heiligen der laatste dagen gaan gebukt onder de verwarring en hartepijn die het gevolg zijn van seksuele handelingen met iemand van hetzelfde geslacht, of zelfs van erotische gevoelens die tot dergelijk gedrag kunnen leiden. Hoe moeten kerkleiders, ouders en andere leden van de kerk reageren als zij geconfronteerd worden met de godsdienstige en emotionele problemen en de conflictsituaties binnen een gezin dat met zulk gedrag of dergelijke gevoelens gepaard gaan? Wat zeggen we tegen een jongere die aangeeft dat hij of zij zich aangetrokken voelt tot mensen van hetzelfde geslacht en seksuele gedachten of gevoelens voor hen koestert? Hoe reageren we als iemand te kennen geeft dat hij of zij homoseksueel of lesbisch is en dat het nu wetenschappelijk `bewezen' is dat hij of zij `zo geboren is'? Wat doen we als mensen die niet van ons geloof zijn ons beschuldigen van intolerantie of hardvochtigheid omdat wij bij ons standpunt blijven dat erotische gevoelens voor iemand van hetzelfde geslacht afwijkend gedrag is en dat alle seksuele handelingen van die aard zondig zijn?
Onze benadering van deze vragen wordt gedicteerd door evangeliebeginselen waarvan wij weten dat ze waar zijn.
Deze leerstellingen, geboden en verantwoordelijkheden zijn onze leidraad bij de beantwoording van de eerder in dit artikel gestelde vragen.
Het is duidelijk dat onze leer stelling neemt tegen hen die aan `gay bashing' doen - lichamelijke of verbale aanvallen op mensen die van homoseksueel of lesbisch gedrag worden verdacht.
Van ons wordt barmhartigheid verwacht ten aanzien van mensen die ziek zijn, ook zij die besmet zijn met HIV of aan de gevolgen van AIDS lijden (en die deze ziekte al of niet door seksueel contact hebben gekregen). We moeten deze mensen aanmoedigen om actief in de kerk te zijn.
Als we kijken naar het verschil dat het Eerste Presidium bij relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht aangeeft, moeten we dus onderscheid maken tussen (1) homoseksuele (of lesbische) `gedachten en gevoelens' (die weerstaan en in goede banen geleid moeten worden) en (2) `homoseksueel gedrag' (wat een ernstige zonde is).
We moeten er wel aan denken dat de woorden homoseksueel en lesbisch gebruikt worden om bepaalde gedachten, gevoelens of gedrag te beschrijven. We moeten ze niet gaan gebruiken als omschrijving van een bepaalde toestand of persoon. Onze godsdienstige leer schrijft dit ook voor. Het is verkeerd om deze woorden te gebruiken om een toestand te beschrijven, want dat impliceert dat iemand geboren is als iemand die geen keus heeft in de essentieel belangrijke kwestie van seksueel gedrag.
Gevoelens zijn een andere zaak. Sommige gevoelens lijken ingeboren te zijn. Andere kunnen naar eerdere ervaringen in dit leven worden teruggevoerd. Weer andere lijken te ontstaan uit een ingewikkelde interactie tussen natuur en opvoeding. We hebben allemaal gevoelens waarvoor we niet hebben gekozen, maar het evangelie van Jezus Christus leert ons dat we nog steeds de macht hebben om onze gevoelens te weerstaan en zo nodig om te vormen, en dat we ervoor kunnen zorgen dat ze ons geen ongepaste gedachten laten koesteren of tot zondig gedrag voeren.
Mensen hebben verschillende fysieke eigenschappen en zijn allen op een verschillende manier vatbaar voor de diverse vormen van fysieke en mentale druk die we in onze jeugd en volwassenheid ondervinden. Die vormen van vatbaarheid hebben we ook niet zelf gekozen, maar we kiezen en zijn verantwoordelijk voor de houding, prioriteiten, daden en `levensstijl' die we erop baseren.
In ons leerstellige standpunt in deze zaken is het verschil tussen onze vrijheid en onze keuzevrijheid essentieel. Onze vrijheid kan door verschillende aardse omstandigheden worden ingeperkt, maar de door God gegeven keuzevrijheid kan niet van buitenaf worden beknot, omdat zij de basis is van onze verantwoordelijkheid tegenover Hem. Het verschil tussen vrijheid en keuzevrijheid kan worden geïllustreerd met een hypothetische ontwikkelingsgang van gevoelens naar gedachten naar gedrag naar verslaving. Deze ontwikkeling zie je bij verschillende zaken, zoals gokken en het gebruik van tabak en alcohol.
Net zo goed als de een andere gevoelens heeft dan de ander, lijken sommige mensen een verhoogde vatbaarheid te hebben voor bepaalde daden, reacties of verslavingen. Misschien is die vatbaarheid ingeboren of verkregen zonder dat hij of zij daar een keuze of schuld in heeft, net als de niet nader genoemde kwaal van de apostel Paulus, die hij `een doorn in het vlees' noemde, `een engel des satans, om mij met vuisten te slaan (...) opdat ik mij niet te zeer zou verheffen' (2 Korintiërs 12:7). De een kan gevoelens hebben die hem tot gokken aanzetten, waarbij het van tijdverdrijf tot verslaving wordt. De ander vindt tabak lekker en zou daaraan verslaafd kunnen raken. Weer een ander kan een sterke drang naar alcohol hebben en al snel naar alcoholisme doorslaan. Andere voorbeelden zijn drift, ruzie, hebberigheid enzovoort.
In al deze gevallen (en andere voorbeelden die gegeven zouden kunnen worden) kunnen de gevoelens of andere eigenschappen die de vatbaarheid voor bepaald gedrag verhogen, eventueel iets met erfelijkheid te maken hebben. Maar dat verband is waarschijnlijk erg ingewikkeld. Misschien is het overgeërfde element niets meer dan een verhoogde waarschijnlijkheid dat iemand bepaalde gevoelens krijgt als deze in zijn of haar jeugd aan bepaalde invloeden wordt blootgesteld. Maar ongeacht onze verschillende vormen van vatbaarheid of kwetsbaarheid, die nuances in onze aardse vrijheid zijn (in de sterfelijkheid zijn we alleen maar `vrij naar het vlees' [2 Nephi 2:27]), blijven we verantwoordelijk voor het gebruik van onze keuzevrijheid in de gedachten die we koesteren en het gedrag waarvoor we kiezen. Ik heb dit verschil een paar jaar geleden in een toespraak aan de Brigham Young University aan de orde gesteld:
`De meesten van ons worden geboren met [of krijgen] doornen in het vlees, sommige zichtbaarder dan andere, sommige ernstiger dan andere. We lijken allemaal vatbaar te zijn voor de een of andere stoornis, maar wat onze vatbaarheid ook is, we hebben de wil en de macht om onze gedachten en daden te beheersen. En dat moet ook zo zijn. God heeft gezegd dat Hij ons verantwoordelijk stelt voor wat we doen en denken, dus onze gedachten en daden moeten door onze keuzevrijheid te beheersen zijn. Als we een
maal de leeftijd of staat van verantwoordelijkheid hebben bereikt, zal de kreet "zo ben ik geboren" niet als excuus kunnen dienen voor gedrag of gedachten die niet in overeenstemming met de geboden van God zijn. We moeten leren zo te leven dat een aardse zwakheid ons niet van een eeuwig doel zal afhouden.
`God heeft beloofd dat Hij onze ellende tot ons welzijn zal heiligen (zie 2 Nephi 2:2). De moeite die we doen om een overgeërfde [of later verkregen] zwakte te overwinnen zal ons een geestelijke kracht geven die ons de hele eeuwigheid van dienst zal zijn. Dus toen Paulus drie keer had gebeden dat zijn "doorn in het vlees" zou worden weggenomen, antwoordde de Heer: "Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid." Gehoorzaam concludeert Paulus:
"`Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korintiërs 12:9-10).
`Wat onze vatbaarheid of neiging [gevoelens] ook mogen zijn, ze kunnen ons niet aan eeuwige consequenties onderwerpen zonder dat wij onze keuzevrijheid gebruiken om te denken of te doen wat in Gods wetten verboden is. Een vatbaarheid voor alcoholisme beneemt iemand de vrijheid om alcohol te gebruiken zonder er snel aan verslaafd te raken, maar zijn keuzevrijheid stelt hem in staat om ervan af te blijven en zo te ontkomen aan de kwalijke uitwerking van alcohol op het lichaam en aan de geestelijke afstomping die de verslaving met zich meebrengt.
`(...) Laat je niet misleiden door het argument dat omdat iemand een sterke drang tot een bepaalde daad voelt, hij niet zou kunnen kiezen en daarom niet verantwoordelijk voor zijn handelingen zou zijn. Deze bewering druist in tegen de meest fundamentele beginselen van het evangelie van Jezus Christus.
`Satan wil ons doen geloven dat we in dit leven geen verantwoording dragen. Dat doel streefde hij met zijn strijd in het voorsterfelijk bestaan al na. Iemand die beweert dat hij niet verantwoordelijk is voor de uitoefening van zijn keuzevrijheid omdat hij "zo geboren is", probeert de uitkomst van de oorlog in de hemel te negeren. Wij zijn wel verantwoordelijk, en als we anders beweren, werken we mee aan de propaganda van de tegenstander.
`Individuele verantwoordelijkheid is een wet van het leven. Zij geldt in de wetten van de mens en die van God. De samenleving verwacht van mensen dat zij hun impulsen beheersen zodat deze samenleving beschaafd kan zijn. God verwacht van zijn kinderen dat zij hun impulsen beheersen zodat ze zijn geboden kunnen onderhouden en hun eeuwige bestemming bereiken. De wet laat geen mazen voor de heetgebakerde man die toegeeft aan een impuls om zijn kweller neer te schieten, of voor de hebzuchtige man die toegeeft aan een impuls om te stelen, of de pedofiel die toegeeft aan een impuls om zijn seksuele verlangens met kinderen te bevredigen. (...)
`Er is veel dat wij niet weten over de mate van vrijheid die we hebben ten aanzien van de diverse doornen in het vlees die ons in de sterfelijkheid kwellen. Maar dit weten we: we hebben allemaal onze keuzevrijheid en God stelt ons verantwoordelijk voor de wijze waarop we deze in gedachte en daad gebruiken. Dat is fundamenteel.'?
In tegenstelling tot onze leerstellige benadering, kiezen veel mensen voor een puur wetenschappelijke benadering van de aantrekkingskracht tussen mensen van hetzelfde geslacht. Hoewel ik zelf geen geleerde ben, zal ik aan de hand van wetenschappelijke literatuur, en met de adviezen van bevoegde wetenschappers en therapeuten, proberen om de bewering te weerleggen dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen die beweren homoseksueel of lesbisch te zijn, `zo geboren zijn'.
We leven in een tijd waarin de wetenschap ons in een toenemend tempo inzicht in het menselijk lichaam biedt. We weten dat veel van onze lichamelijke kenmerken op grond van erfelijkheid kunnen worden verklaard. Tegelijkertijd weten we ook dat ons gedrag in hoge mate beïnvloed wordt door psychosociale factoren, zoals de relatie met ouders, broers en zussen (vooral in de ontwikkelingsfase), en ook de cultuur waarin we leven. De vraag of, en de mate waarin, concreet gedrag toe te schrijven is aan de natuur of de opvoeding is al eeuwen oud. Als we praten over aantrekkingskracht tussen mensen van hetzelfde geslacht, praten we over een zeer ingewikkeld onderwerp waarbij de wetenschappelijke inzichten nog zeer jong zijn.
Sommige geleerden ontkennen dat gedrag genetisch beïnvloed wordt.8 Anderen komen met bewijzen of theorieën dat `er aanzienlijke aanwijzingen zijn voor een genetische invloed op seksuele geaardheid'.9
We beseffen ons natuurlijk terdege dat je op grond van erfelijkheid een vatbaarheid voor bepaalde ziekten zoals kanker of suikerziekte kunt verklaren. Er zijn ook theorieën en enige aanwijzingen dat erfelijkheid een factor is bij vatbaarheid voor verschillende gedragsstoornissen zoals agressie, alcoholisme en vetzucht. Het is gemakkelijk om te theoretiseren dat erfelijkheid ook bij seksuele geaardheid een rol speelt. Maar het is hier belangrijk om te onthouden, zoals twee voorstanders van deze benadering ook toegeven, dat `het idee dat iemand waarschijnlijk een bepaald kenmerk heeft omdat zijn vader of moeder dat had, niet meteen wil zeggen dat het vaststaat dat hij dat kenmerk ook zal hebben. (...) De meeste eigenschappen ontstaan waarschijnlijk uit een wisselwerking tussen wat ingeboren is en de omgeving waarin iemand leeft."°
Of geleerden de gedachte dat erfelijkheid invloed heeft op de seksuele geaardheid nu geheel of ten dele verwerpen of aanvaarden, de meesten zijn het erover eens dat er nog onvoldoende bewijzen zijn en dat er pas duidelijke conclusies getrokken kunnen worden als er veel meer onderzoek is gedaan.
In een onderzoek bij 56 paren identieke mannelijke tweelingen waarvan een van de twee homo beweerde te zijn, bleek dat 52% van de andere helft van de tweelingen zich ook homo noemde." In een soortgelijk onderzoek bij vrouwelijke identieke tweelingen noemde een bijna gelijk percentage zichzelf lesbisch (34 van de 71 paren, 48%).12 Als uit deze studies blijkt dat erfelijkheid van invloed is op de reden waarom een man of vrouw zichzelf homo of lesbisch noemt, dan is het duidelijk dat deze invloed niet allesbepalend is. Zoals een vooraanstaande geleerde heeft gezegd: 'Zelfs de identieke tweeling van een homoseksuele man heeft een kans van 50% of meer om heteroseksueel te zijn - ook al heeft hij exact dezelfde genen en is hij door dezelfde ouders opgevoed.'13 We moeten ook hier opmerken dat de resultaten van deze onderzoeken (en van andere die hieronder aangehaald worden) zijn gebaseerd op wat de deelnemers van zichzelf zeggen, een nogal wankele basis voor wetenschappelijke conclusies als er 'onder artsen en gedragswetenschappers nog steeds geen universeel aanvaarde definitie van homoseksualiteit is — laat staan overeenstemming over de oorsprong ervan.'14
Op dit nieuwe wetenschappelijke gebied is een nieuwe bron van bewijzen zeer welkom. In juli 1993 haalde dr. Dean Hamer over de hele wereld de voorpagina's toen hij bekendmaakte dat hij 'in een geselecteerde groep (...) homoseksuele mannen en hun familieleden boven de 18 een statistisch significant verband had aangetoond tussen de overerving van genetische indicatoren [een identificeerbare DNA-strook] op chromosoomregio Xq28, en seksuele geaardheid.' Met andere woorden, 'Xq28 blijkt een gen te bevatten dat bij mannen tot een homoseksuele geaardheid bijdraagt.'15 Dr. Hamer interpreteert zijn ontdekking zo extreem positief mogelijk, en concludeert in het boek dat hij vervolgens heeft geschreven:
'Gebaseerd op enige voorkennis en ervaring kunnen we alleen maar proberen te gissen naar het belang van Xq28 bij de bevolking in het algemeen. Als we hoog schatten, moet je stellen dat de regio nooit meer dan 67% van de homoseksuele mannen zou kunnen beïnvloeden, het percentage dat in onze sterk geselecteerde groep van homoseksuele broers aan deze regio "gekoppeld" was. Als we laag schatten, moet je stellen dat als homoseksualiteit door omgevingsfactoren wordt veroorzaakt, of door een groot aantal op elkaar inwerkende genen, slechts een gering percentage van de variatie in mannelijke seksuele geaardheid op grond van Xq28 verklaard kan worden. Als we naar het gemiddelde kijken, vastgesteld op grond van onze koppelingsgegevens en de gegevens uit de onderzoeken met tweelingen en familie, komen we tot de conclusie dat Xq28 bij 5 tot 30% van de homoseksuele mannen enige rol van betekenis speelt. Het feit dat deze schattingen zo ver uit elkaar liggen, bewijst dat er nog veel onderzoek verricht moet worden.'16
`Enige rol van betekenis' bij `5 tot 30%' van de mannen die zichzelf als homoseksueel beschouwen, is nauwelijks een rechtvaardiging van de bewering dat het wetenschappelijk is aangetoond dat homoseksualiteit erfelijk bepaald is. Een vooraanstaande geleerde wijst op twee van de onzekere factoren:
`De bewijzen die er tot nu toe verkregen zijn voor ingeboren biologische eigenschappen als oorzaak voor homoseksualiteit, zijn gebrekkig. (...) Uit genetisch onderzoek dat moet aantonen dat homoseksualiteit erfelijk is, komt niet naar voren wat wordt overgeërfd en hoe dat de seksuele geaardheid beïnvloedt.'17
In hun indrukwekkende verhandeling over de biologische achtergronden van seksuele geaardheid, geven de artsen Byne en Parsons van de afdeling psychiatrie van de Columbia University de volgende belangrijke waarschuwingen en suggesties:
`Het is van het allergrootste belang dat artsen en gedragstherapeuten de complexiteit van de seksuele geaardheid gaan inzien en zich niet laten verleiden tot simplistische verklaringen, hetzij psychologisch of biologisch.
`Een opvallende afwezige in de meeste theorieën over de oorsprong van de seksuele geaardheid is een actieve rol van de betrokken persoon bij de vorming van zijn of haar identiteit. (...) Wij suggereren een interactief model waarin de genen of de hormonen niet de seksuele geaardheid als zodanig vastleggen, maar wel bepaalde persoonlijkheidsstructuren accentueren en daarmee invloed hebben op de wisselwerking tussen een persoon en zijn of haar omgeving als de seksuele geaardheid en andere persoonlijkheidskenmerken zich beginnen te ontwikkelen.'18
Deze stelling, een van de vele die door geleerden zijn geponeerd, klinkt bijzonder plausibel omdat zij rekening houdt met de keuzevrijheid die wij als een reëel beginsel van onze sterfelijke toestand beschouwen.
In een brief van 14 november 1991 over het belang van de wet van kuisheid, heeft het Eerste Presidium verklaard: `Een seksuele relatie is alleen geoorloofd tussen man en vrouw, op gepaste wijze binnen het huwelijk tot uiting gebracht. Elke andere vorm van seksueel contact, zoals ontucht, overspel, en homoseksueel en lesbisch gedrag, is zondig.'
Conform deze uitspraak zijn de functionarissen in de kerk verplicht om overtreders tot bekering te roepen en hen te herinneren aan het beginsel dat de profeet Samuël de goddeloze Nephieten heeft onderwezen: `Gij hebt gedurende al de dagen uws levens gezocht naar hetgeen gij niet kondet verkrijgen; en gij hebt naar geluk gezocht door ongerechtigheid te bedrijven, wat in strijd is met de aard van die gerechtigheid, die in ons Groot en Eeuwig Hoofd is' (Helaman 13:38).
Iemand kan niet doorgaan met het bedrijven van ernstige zonde en lid van de kerk blijven. Ook is een disciplinaire maatregel op zijn plaats als anderen tot zonde zijn aangezet. Er is geen kerkelijke discipline voor ongepaste gedachten of gevoelens (hoewel we aangemoedigd worden ze te corrigeren), maar gedrag heeft consequenties. In dezelfde toespraak waarin de Heiland de mensen leerde dat niemand uitgeworpen moest worden, gebood Hij zijn dienstknechten: `Gij [zult] niemand willens en wetens onwaardig van Mijn vlees en bloed (...) laten nuttigen (...); daarom, indien gij weet, dat iemand onwaardig is (...), zult gij het hem verbieden' (3 Nephi 18:28-30). De Heiland gaf ook dit gebod: `Maar indien hij zich niet bekeert, zal hij niet onder Mijn volk worden gerekend, opdat hij Mijn volk niet te gronde richt' (vers 31; zie ook Mosiah 26:36; Alma 5:56-61). Als overtreders dus geen gehoor geven aan de oproep tot bekering, moeten de herders van de kerkelijke kudde disciplinaire maatregelen nemen, omdat God hun die verantwoordelijkheid heeft gegeven.
Tegelijkertijd moeten we altijd onderscheid maken tussen zondige daden en ongepaste gevoelens of een mogelijk gevaarlijke vatbaarheid. We moeten in liefde de hand toesteken aan hen die proberen weerstand te bieden aan verleiding. Het Eerste Presidium heeft dat in de brief van 14 november 1991 gedaan. Na duidelijk gesteld te hebben dat `ontucht, overspel, en homoseksueel en lesbisch gedrag' zonden zijn, voegde het Eerste Presidium hieraan toe:
`Mensen en familieleden die hulp bij deze zaken willen, moeten zich tot hun bisschop, gemeentepresident, ring- of districtspresident wenden. Wij moedigen de leiders en leden van de kerk aan om met liefde en begrip de hand toe te steken aan hen die met deze zaken worstelen. Velen zullen gehoor geven aan de christelijke liefde en geïnspireerde raad als ze een uitnodiging krijgen om terug te komen en zich open te stellen voor de verzoenende en genezende macht van de Heiland (zie Jesaja 53:4-5; Mosiah 4:2-3).'
In een conferentietoespraak over ditzelfde onderwerp heeft president Gordon B. Hinckley gezegd: `Ik wil nu graag nadrukkelijk stellen dat onze zorg om de bittere vruchten van de zonde gepaard gaat met een christelijke sympathie voor de slachtoffers ervan, onschuldig of schuldig. Ons voorbeeld is de Heiland, die de zonde veroordeelde, maar van de zondaar hield.'19
Ondanks zulke uitnodigingen en geruststellingen blijven de kerk en haar leden geconfronteerd worden met onbegrip over ons standpunt in deze zaken. Vorig jaar herfst werd een functionaris van onze kerk in een televisie-interview gevraagd: `Wat wordt er in de kerk gedaan om de haatgevoelens voor homoseksuelen weg te nemen?' Negen jaar geleden werd ik, ook tijdens een interview voor de televisie, ondervraagd over geruchten dat de kerk leerde of impliceerde dat `deze mensen eigenlijk verstotelingen zijn (...) deze mensen haten zichzelf, en dat komt door de houding van de kerk jegens hen.'
Sterker nog, we krijgen zulke vragen ook van leden van de kerk. Een brief die wij pas ontvangen hebben, is illustratief:
`Waar we ons ook zorgen om maken, is de manier waarop onze zoons en dochters beschreven worden als mensen die afwijkend en wellustig gedrag vertonen. Sommigen doen dat misschien ook, maar de meesten niet. Deze jonge mannen en vrouwen willen alleen maar overleven, een geestelijk leven leiden, en in nauw contact met hun familie en kerk blijven. Het is vooral schadelijk als deze negatieve uitlatingen vanaf het spreekgestoelte worden gedaan. Wij menen dat dergelijke toespraken alleen maar meer deprimeren en een gigantisch schuld- en schaamtegevoel opwekken, gekoppeld aan een gebrek aan eigenwaarde, iets waar zij hun hele leven al mee kampen. Soms is er een echt gebrek aan zuivere liefde van Christus naar hen toe om hen in hun beproevingen te helpen. Wij zouden heel blij zijn als u iets kunt doen om deze vaak verkeerd begrepen kinderen van onze hemelse Vader in hun benarde situatie te helpen. Als enkele algemene autoriteiten zich wat tactvoller over deze problemen uitlieten, zou dat de zelfmoorden en verdeeldheid in de gezinnen verminderen. Velen kunnen gewoon niet leven met het feit dat de leden van de kerk hen als "slechte mensen" beschouwen, en daarom zoeken ze hun toevlucht in een homoseksuele levensstijl.'20
Uit dergelijke brieven blijkt duidelijk dat wij beter moeten leren communiceren met broeders en zusters die met problemen worstelen - allerlei soorten problemen. Volgens de leer van de kerk heeft ieder lid een duidelijke verantwoordelijkheid om liefde te betonen en hulp en begrip te bieden. Zondaars, net als de mensen die moeite doen om ongepaste gevoelens te weerstaan, zijn geen mensen die uitgeworpen moeten worden, maar mensen die liefgehad en geholpen moeten worden (zie 3 Nephi 18:22-23, 30, 32). Tegelijkertijd kunnen de kerkleiders en de leden niet om hun verantwoordelijkheid heen dat zij de juiste beginselen en deugdzaam gedrag (op alle vlakken) moeten prediken, zelfs als dat voor sommigen onprettig is.
Kerkleiders wordt soms gevraagd of er in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen plaats is voor mensen met homoseksuele of lesbische neigingen of gevoelens. Natuurlijk wel. Hoe gedrag moet worden nagelaten, en hoe moeilijk dat is, verschilt van persoon tot persoon, maar de boodschap van hoop en de hand van vriendschap die door de kerk worden aangeboden, zijn dezelfde voor allen die oprecht hun best doen.
In mijn antwoord aan de televisieverslaggever die impliceerde dat de kerk leerde dat `deze mensen eigenlijk verstotelingen zijn', probeerde ik een nuance aan te brengen. Ik zei:
`De persoon die zijn best doet om dergelijke neigingen [te weerstaan], moet zich geen verstoteling voelen. Maar een seksuele relatie buiten het huwelijk is een heel ander verhaal. Iemand die dat doet, moet zich juist schuldig voelen. Ze moeten juist een afstand voelen tussen zichzelf en God, die dergelijk gedrag verboden heeft. Het verbaast mij niet dat ze zich van de kerk vervreemd voelen. Wat me wel verbaast, is dat ze denken dat de kerk Gods geboden kan veranderen. (...) De vrouw die op overspel betrapt was (en dat is een goed precedent voor ons) (...) werd door de Heiland genadig en liefdevol behandeld (... ), maar Hij zei: "Ga heen en zondig niet meer". Hij hield van de zondaar, maar Hij veroordeelde de zonde. Ik denk dat de kerk hetzelfde doet, misschien op onvolmaakte wijze, maar dat is wat we onze leden leren: heb de zondaar lief, maar veroordeel de zonde.'21
De problemen van mensen die zich voelen aangetrokken hetzelfde geslacht, zijn niet uniek. Er zijn vele soorten verleiding, seksuele zowel als andere. De plicht om zonde te weerstaan, geldt bij alle problemen.
De belangrijkste hulp die de kerk kan bieden aan mensen die voor zonde zijn gezwicht of die worstelen om deze te weerstaan, is haar goddelijke zending te vervullen om de ware beginselen van het evangelie te onderwijzen en de goddelijke verordeningen van het herstelde evangelie te bedienen. Het evangelie geldt op gelijke gronden voor iedereen. Zijn centrale waarheid is de verzoening en opstanding van onze Heiland, opdat wij de onsterfelijkheid en het eeuwige leven mogen beërven. Om die bestemming te bereiken, is een eeuwig huwelijk voor ieder kind van God het goddelijke en voorgeschreven doel, in dit leven en in het hiernamaals. Toch moet dit heilige doel op de wijze van de Heer worden verwezenlijkt. President Gordon B. Hinckley heeft bijvoorbeeld gezegd dat `het huwelijk niet moet worden beschouwd als therapie voor problemen zoals homoseksuele neigingen of praktijken'.22
Door Christus en zijn kerk kunnen zij die met deze problemen worstelen, geholpen worden. Die hulp komt door vasten en gebed, door de waarheden van het evangelie, door de kerkdiensten bij te wonen en dienstbaar te zijn, door de raad van geïnspireerde leiders, en, waar nodig, de professionele hulp bij problemen die dergelijke hulp vereisen. Een andere hulpbron is de versterkende invloed van liefdevolle broers en zusters. Een ieder moet begrijpen dat mensen (en vooral hun familieleden) die zich aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht, extra behoefte hebben aan de liefde en aanmoediging die van de leden van de kerk verwacht mag worden, die door hun verbond te kennen hebben gegeven elkaars lasten te willen dragen (zie Mosiah 18:8) en zo de wet van Christus te vervullen (Galaten 6:2).
Het eerste beginsel van het evangelie is geloof in de Heer Jezus Christus, die ons het licht en de kracht geeft om de obstakels van het sterfelijk leven te overwinnen, en onze door God gegeven keuzevrijheid te gebruiken om gedrag te kiezen dat ons naar onze goddelijke bestemming zal voeren. Ons is beloofd: `Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt' (1 Korintiërs 10:13).
De uiteenlopende gezichtspunten van de wetenschappelijke bewijzen en de godsdienstige leer kunnen vergeleken worden met het verschil tussen het bestuderen van een auto door te kijken hoe die werkt en de verschillende onderdelen te analyseren, of door de gebruiksaanwijzing te lezen die de fabrikant heeft meegeleverd. Door waarneming en analyse kan veel worden geleerd, maar zo krijg je maar een gedeeltelijke kennis van de werking en mogelijkheden van een machine.
De beste en meest complete kennis van de werking en mogelijkheden van een machine krijg je door de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te bestuderen. De gebruiksaanwijzing voor ons lichaam en onze ziel zijn de Schriften, geschreven door de God die ons heeft geschapen, en geïnterpreteerd door zijn profeten. Dat zijn de beste bronnen van kennis over het doel van het leven en het gedrag en de gedachten die we moeten aankweken om gelukkig te leven en onze eeuwige bestemming te bereiken.
Allen die met de problemen van de sterfelijkheid worstelen, zullen zich kunnen vinden in de klaagzang in de psalm van Nephi: `O, ellendig mens, die ik ben! Ja, mijn hart is bedroefd wegens de zwakheid van mijn vlees; mijn ziel treurt wegens mijn ongerechtigheden.
`Ik ben omringd door de verleidingen en de zonden, die mij zo gemakkelijk overvallen' (2 Nephi 4:17-18).
Om de wil en de kracht te hebben om zonde te weerstaan, moeten we op God vertrouwen en om zijn hulp bidden. Nephi verheugde zich in de Heer, die hem geschraagd had en hem door zijn beproevingen heen had geleid (zie vs. 20). `Waarom zou ik in de zwakheid van mijn vlees aan zonde toegeven?' vroeg Nephi (vs. 27), waarna hij bad dat de Heer zijn ziel zou verlossen en hem ertoe zou brengen `dat ik sidder bij het verschijnen van zonde' (vs. 31).
Nephi besluit met woorden die direct van toepassing zijn op hen die hun weg proberen te vinden door de problemen die in dit artikel zijn besproken:
`O Here, ik heb op U vertrouwd en ik wil immer op U vertrouwen. Ik wil mijn vertrouwen niet in de arm des vleses stellen, want ik weet, dat hij vervloekt is, die zijn vertrouwen in de arm des vleses stelt. Ja, vervloekt is hij, die zijn vertrouwen in de mens stelt, of vlees tot zijn arm stelt.
`Ja, ik weet, dat God mildelijk geeft aan hem, die vraagt' (vss. 34-35).
Hij die ons heeft geboden volmaakt te zijn, heeft zijn bloed vergoten om ons de kans te geven onze eeuwige bestemming te bereiken. Zijn vertrouwen in ons vermogen om het eeuwige leven te verkrijgen, blijkt uit zijn ongelofelijke uitnodiging: `Welke soort mensen behoort gij daarom te zijn? Voorwaar zeg Ik u: Zoals Ik ben' (3 Nephi 27:27).
(Dit artikel is eerder verschenen in De Ster, maart 1996.)
Voor meer informatie over dit en andere onderwerpen, zie www.mormon.org